Orgels

De Laurentiuskerk in Voorschoten beschikt over een uniek 18e eeuws orgel, gebouwd door Johannes Mitterreither in 1792 voor de toenmalige noodkerk. In 1875 verhuisde het orgel naar de nieuwe Laurentiuskerk en deed tot de jaren zeventig van de vorige eeuw dienst als begeleiding voor het kerkkoor. Mede onder invloed van de hete luchtverwarming, raakte het orgel in het ongerede. In die tijd verhuisde het koor ook van het doczaal (orgelbalkon) naar een positie voor in de kerk waar het begeleid werd door een nieuw, kleiner koororgel.  Het hoofdorgel was decennia onbespeelbaar tot een volledige restauratie en uitbreiding door Verschueren in 2009 het orgel in nieuwe luister herstelde. In 2007 is tevens een nieuw koororgel in gebruik genomen, ook gebouwd door Verschueren . 

 

Het Mitterreither/v.d. Brinkorgel

De oorsprong van het orgel

Het kerngedeelte van het hoofdorgel is gebouwd door Johannes Josephus Mitterreither, geboren in 1733 te Graz (Oostenrijk), en vanaf 1769 werkzaam in Leiden, waar hij woonde en werkte aan de Herengracht. Het oorspronkelijke orgel kende 9 stemmen, een handklavier van 4 1/2 octaaf, een drukwerk, drie blaasbalgen en geen pedaal. Het pijpwerk, bestaande uit 416 stuks, is in 1833 gerestaureerd door orgelmaker Hagedoorn en in 1841 door de Amsterdamse orgelmaker en restaurateur Leonard van den Brink.

De uitbreiding van 1875

In 1875 verhuisde het orgel naar de nieuwe Laurentiuskerk en werd het ingrijpend verbouwd en uitgebreid door de zoon van Leonard, Mathias van den Brink. Hij gebruikte de pijpen van Mitterreither opnieuw voor het hoofdwerk, het eerste klavier van het orgel, en breidde dat verder uit met een Bourdon 16’ en een Trompet 8’ waardoor het aantal registers op 11 kwam. Acht daarvan zijn grotendeels of integraal vervaardigd door Mitterreither. Voor het bovenwerk, het tweede klavier, vervaardigde Van den Brink nieuw pijpwerk, maar hergebruikte hij ook pijpen van andere 18e eeuwse orgels. Ook verwerkte hij een paar pijpen van Mitterreither in het register Blokfluit 2’. In totaal omvatte het bovenwerk 6 registers. Het pedaal werd aangehangen aan het hoofdwerk en had dus geen eigen registers. Door de uitbreiding van het hoofdwerk werd een nieuwe windlade noodzakelijk. Ook voegde hij een tweede windlade toe voor het bovenwerk. Door deze uitbreidingen moest de gehele tractuur, de klaviatuur en de windvoorziening van het oude Mitterreither orgel vervangen worden. Van den Brink vervaardigde een nieuwe vrijstaande speeltafel die voor het orgel werd geplaatst, hetgeen in die tijd tamelijk uniek was. Het grote voordeel was dat de organist vrij zicht had op het altaar en daarmee beter het verloop van de liturgieviering kon volgen. Het orgel werd verder in een nieuwe neo-gotische kast geplaatst.

De renovatie van 1931

Om meer ruimte te maken voor het koor en dirigent werd de windvoorziening (magazijnbalg en schepbalg) in 1912 verplaatst van de onderkas van het orgel naar de torenzolder, dus achter de stenen muur bij het orgel. De speeltafel kon zo verplaatst worden naar de vrijgekomen ruimte in de onderkas. In 1927 werd een elektrische windmachine geplaatst, zodat er geen orgeltrapper meer nodig was. In die jaren ontstonden er echter al problemen met de winddichtheid van de windladen. Door de verwarming van de kerk droogde het hout van de windladen te sterk uit waardoor er barsten ontstonden en de druk op de pijpen niet meer gehandhaafd kon worden, waardoor het orgel onbespeelbaar dreigde te worden.

In 1931 werd daarom het orgel ingrijpend gerenoveerd en kreeg het nieuwe windladen
die beter bestand waren tegen de invloeden van de kerkverwarming. Er werd een nieuwe speeltafel vervaardigd en onder het orgel geplaatst. De mechanische overbrenging van de toetsen werd vervangen door een pneumatische. Verder werd aan het bovenwerk één register toegevoegd, namelijk een Vox Célèste 8’ discant, die bewust ‘zwevend’ werd gestemd. Zwevend gestemde tonen werden als ‘hemelse muziek’ geïnterpreteerd. Het moest in het bijzonder het orgel een romantisch tintje geven, zodat romantische orgelmuziek beter tot zijn recht kon komen. Verder werd er een zogenaamde transmissie gemaakt om de Bourdon 16’ en de Prestant 8’ op het hoofdwerk te kunnen bespelen met het pedaal, die als pedaal registers Subbas 16’ en Octaafbas 8’ werden opgevoerd. Op papier leek het orgel dus uitgebreid met twee registers, maar in werkelijkheid ging het echter om het bespeelbaar maken van al aanwezige registers. Verder werd het uiterlijk van het orgel gemoderniseerd en kreeg het doksaal (orgelbalkon), dat te krap was geworden voor het koor, in het midden van de borstwering een uitbouw voor de dirigent.

Het orgel raakt in verval

In 1954 werd het interieur van de kerk grondig gerenoveerd en werd de totale orgelkas wit geschilderd, inclusief de deuren naar de trap en de torenzolders en de balustrade van het doksaal. Midden jaren zestig ontstonden weer problemen met de windladen ten gevolge van de nieuwe geforceerde luchtverwarming.

In 1972 wordt het interieur van de kerk opnieuw gerenoveerd en verhuist het kerkkoor van de docsaal naar de absis voorin de kerk, waar een nieuw koororgel wordt geplaatst. Het grote orgel wordt niet meer gebruikt en raakt in verval. Wel ontvangt het kerkbestuur in die dagen van de rijksadviseur van de Rijksdienst voor de monumentenzorg, gewaarschuwd door de berichtgeving over de renovatie, een brief waarin wordt gevraagd om het in neogotische stijl uitgevoerde doksaal en het orgel te beschermen en niet af te breken. Ook begin jaren negentig wordt van verscheidene kanten aandacht gevraagd voor het unieke instrument.

Restauratieplannen

In 1993 brengt de heer Ton van Eck, adviseur van de Katholieke Klokken- en Orgelraad een rapport uit over het orgel. Daarin worden de historische gegevens bevestigd die op dat moment bekend waren. De Rijksadviseur voor monumentzorg ten aanzien van orgels wordt tevens op de hoogte gesteld. In 1999 maakt Van Eck een beknopt restauratieplan voor het orgel met een begroting van de globale restauratie kosten.

Op 15 november 2002 schrijven Richard Bot en Louise Hillen een adviesnota waarin gepleit wordt voor uitbreiding van het orgel met een pedaal met eigen registers en van een mixtuurregister op het hoofdwerk. Kort gezegd komt het er op neer dat het Mitterreither/Van den Brinkorgel in 1871/1876 werd gebouwd voor een liturgisch-muzikale situatie waarin het orgel alleen het koor begeleidde. Volkszang begeleiding was op dat moment geen functie voor dit orgel. Als het instrument alleen zou worden gereconstrueerd naar de toestand van 1871/1876 zou het sterk aan bruikbaarheid verliezen. Niet alleen voor gebruik tijdens de huidige liturgievieringen waarin volkszang een onmisbaar element is, maar ook voor concerten. Het kerkbestuur en de Rijksdienst voor monumentzorg gaan akkoord met de uitbreiding en op 16 juli 2005 dient Verschueren een definitieve offerte in op basis van het totale restauratieplan inclusief de opties voor meerwerk, waarna definitief de opdracht verstrekt wordt tot restauratie/reconstructie van het hoofdorgel.

Dispositie
Manuaal C-f3
Prestant 8’
Bourdon 16’
Fluit travers 8’ disc.
Holpijp 8’
Octaaf 4’
Quint 3’
Fluit 4’
Octaaf 2’
Cornet V disc.
Mixtuur II-III-IV
Trompet 8’
Positief C-f3
Prestant 4’
Viola di Gamba 8’
Holpijp 8’
Fluit 4’
Roerquint 3’
Blokfluit 2’Pedaal C-f1
Subbas 16’
Open fluit 8’
Trombone 8’
Werktuiglijke registers
Koppel bas
Koppel disc.
Ped. Koppel
Tremulant

De restauratie

In 2007 wordt het gehele orgel ontmanteld en worden alle pijpen

Richard Bot achter de speeltafel van het hoofdorgel

nauwkeurig onderzocht en zoveel mogelijk de herkomst getraceerd. Hierbij blijkt dat veel van de door van den Brink toegevoegde pijpen niet door hem zelf zijn gemaakt maar afkomstig zijn van andere 18-de eeuwse orgels. Een totaal van 858 pijpen is als historisch materiaal aan te duiden. Met de uitbreiding van de nieuwe registers komt het totaal aantal sprekende pijpen uit op 1092.  Vanaf maart 2009 wordt het nieuwe binnenwerk weer op gebouwd en de speeltafel weer voor het orgel geinstalleerd en de mechanische overbrenging hersteld. Ook wordt het uiterlijk van het orgel weer teruggebracht in de neogotische stijl in imitatie-eiken van 1875. Voorschoten is weer in bezit van een schitterend, bijna uniek orgel, welluidend van klank.

Koororgel

Het door Verschueren gebouwde koor-/kistorgel kreeg een speciaal voor deze kerk ontworpen kas, geplaatst op een verrijdbare vlonder. Het instrument heeft 5 registers: twee op het eerste klavier, en drie op het tweede klavier.

Het koororgel

Een bijzonderheid vormt de prestant 8’ disc. die het instrument extra breedte en draagkracht geeft bij de begeleiding van koor- en volkszang. Het pedaal is aangehangen aan het eerste klavier. Het werd gestemd in een historische Bach-Kellner stemming, waardoor Barokmuziek en Oude muziek optimaal tot zijn recht kan komen.

 

 

Vijf intervallen worden iets zwevend gestemd (dit zijn de rode robijnen in de kroon boven het monogram), en zeven worden rein gestemd (dit zijn de witte parels op de kroon). Eén van deze parels heeft een kroontje, dit is het interval dat geplaatst is tussen de zwevend gestemde intervallen. Het resultaat van deze stemming is dat een aantal toonsoorten heel zuiver klinken, zonder veel zweving, terwijl andere juist meer zweven dan gewoonlijk. Dit levert een zeer kleurrijk klankbeeld op met veel afwisseling in spanning en ontspanning in de samenklanken.

Dit nieuw gebouwde orgel staat  vóór in de kerk en werd in november 2007 in gebruik genomen.